Schrift 285 Alleen de Schrift?
jaargang 49 • nummer 1 • februari 2017 • pagina 35

In 1519 publiceerde Maarten Luther zijn Duitse vertaling van het Nieuwe Testament, gebaseerd op de Griekse editie van Desiderius Erasmus (1516). Luther werkte vervolgens hard door aan de taak het Oude Testament uit het Hebreeuws te vertalen. Ook hierbij besloot Luther zijn uitgangspunt niet te nemen in de Latijnse tekst van de Biblia Vulgata (de Vulgaat), de vertaling van Hiëronymus, maar te rade te gaan bij de oorspronkelijke taal, in dit geval het Hebreeuws. De Aramese stukken van het Oude Testament, delen van Daniël en het hele boek Ezra, nam hij uiteraard daarbij mee. Deze keuze van Luther was tevens een theologisch oordeel: immers, de heilige Schrift gold voor Luther als door God geïnspireerd, maar dan wel in de oorspronkelijke taal van de auteurs: Hebreeuws, Aramees en Grieks. Iedere vertaling moest dan ook als secundair gelden, zelfs de Latijnse vertaling van de Vulgaat.

Bert Jan Lietaert Peerbolte is hoogleraar Nieuw Testament aan de Vrije Universiteit Amsterdam